Artikelen
/
Post-COVID in letselschadezaken

Post-COVID in letselschadezaken

Claire Tilbury
·
06/2026
·
Medische expertise

Sinds de coronapandemie zien artsen en medisch adviseurs steeds vaker patiënten met langdurige klachten na een COVID-19-infectie. Dit ziektebeeld, aangeduid als post-COVID of long COVID, is inmiddels erkend door huisartsen, longartsen, revalidatieartsen, bedrijfsartsen en verzekeringsartsen. Tegelijkertijd is het een complex en nog volop in ontwikkeling zijnd ziektebeeld.

In letselschadezaken doet post-COVID zich voor in twee onderscheiden situaties, die elk een eigen beoordeling vragen. Ten eerste als primaire oorzaak van schade, wanneer de COVID-infectie zelf heeft plaatsgevonden in het kader van werk of een verzekerde activiteit. Ten tweede als intercurrente aandoening, waarbij post-COVID optreedt naast en tijdens het herstel van eerder opgelopen letsel en dat herstelproces bemoeilijkt. Beide situaties vragen om een heldere analyse van causaliteit, belastbaarheid en schadeomvang.

Post-COVID kenmerkt zich door een breed en wisselend klachtenpatroon. Veel voorkomende klachten zijn ernstige vermoeidheid, concentratie- en geheugenproblematiek, spierzwakte, duizeligheid, prikkelgevoeligheid en een sterk verminderde belastbaarheid. Anders dan bij veel andere aandoeningen ontbreekt één duidelijke afwijking die alle klachten verklaart. Er bestaat geen enkelvoudige scan, bloedtest of longfunctietest waarmee de diagnose eenduidig wordt bevestigd of uitgesloten.

Artsen stellen de diagnose daarom op basis van het totale klinische beeld: het klachtenpatroon, het tijdsverloop, de functionele beperkingen en het uitsluiten van andere oorzaken. Dit is binnen de geneeskunde niet uitzonderlijk. Ook bij postcommotioneel syndroom, chronische pijnsyndromen en PTSS speelt het totaalbeeld een grotere rol dan één specifieke testuitslag.

Een belangrijk en kenmerkend verschijnsel is post-exertionele malaise (PEM): een toename van klachten na lichamelijke of mentale inspanning, die uren tot dagen kan aanhouden. Concreet betekent dit dat iemand op het ene moment redelijk kan functioneren en kort daarna ernstig beperkt is. Dit maakt post-COVID moeilijk voorspelbaar en soms lastig te begrijpen voor de omgeving — ook in juridische context.

Tegelijkertijd neemt het wetenschappelijk bewijs voor lichamelijke oorzaken toe. Er zijn aanwijzingen voor verstoringen in de energiehuishouding, het zenuwstelsel en de spierstofwisseling. Het ontbreken van afwijkingen op standaardonderzoek betekent dan ook niet dat er geen sprake kan zijn van reële en ernstige beperkingen in het dagelijks functioneren.

Objectivering

Een specifiek meetinstrument is de cardiopulmonale inspanningstest (CPET): een gestandaardiseerde fietstest waarbij hartslag, ademhaling en zuurstofopname worden gemeten. Bij post-COVID kan deze test een objectief verminderd inspanningsvermogen aantonen, ook wanneer longfunctie en hartonderzoek normaal zijn. In dossiers zonder afwijkingen op standaardonderzoek vormt een afwijkende CPET daarmee een concreet en objectief ankerpunt.

Bij comorbiditeit — zoals diabetes of hart- en vaatziekten — is het van belang te beoordelen of die bestaande aandoeningen het klachtenpatroon volledig kunnen verklaren, of dat post-COVID een zelfstandige rol speelt.

Twee situaties

1. Post-COVID als primaire oorzaak van schade

Wanneer de COVID-infectie is opgelopen in een arbeidscontext — zorg, onderwijs, of andere beroepen met verhoogde blootstelling — kan sprake zijn van een beroepsziekte. De centrale vraag is dan tweeledig: is de infectie aannemelijk op het werk opgelopen, en heeft die infectie geleid tot post-COVID? Factoren zoals intensief patiëntencontact, onvoldoende beschermingsmiddelen en aantoonbare clustervorming op de werkvloer kunnen bijdragen aan een voldoende aannemelijk causaal verband.

Vroege en consistente dossiervorming is hierbij essentieel. In de eerste pandemiejaren was specialistische diagnostiek beperkt beschikbaar, waardoor medische documentatie uit de beginfase soms ontbreekt. Dit kan later discussie opleveren over het vroege beloop en de causaliteit.

2. Post-COVID als intercurrente factor

Wanneer iemand tijdens het herstel van eerder letsel — bijvoorbeeld na een verkeersongeval of medische fout — post-COVID ontwikkelt, bemoeilijkt en verlengt dit het hersteltraject. De causale relatie met het primaire letsel blijft daarbij intact. Post-COVID vergroot in dit geval de schadeomvang; het vermindert de causaliteit niet.

Dit is vergelijkbaar met andere complicaties die in de letselschadepraktijk worden erkend, zoals een infectie na een operatie of een depressie tijdens revalidatie. Ook die factoren doorbreken de causale relatie met het oorspronkelijke letsel niet.

Wisselend beloop: herstel of compensatie

Een veelvoorkomend misverstand is de interpretatie van tijdelijk beter functioneren als bewijs dat de klachten meevallen. Iemand met post-COVID kan enige tijd deelnemen aan aangepast werk — maar dat betekent niet dat er sprake is van herstel. Het betekent dat iemand functioneert binnen zeer beperkte kaders, met structurele rustmomenten en een lage belasting. Zodra die grenzen worden overschreden, kan een definitieve terugval optreden.

Dit patroon — compensatie binnen een smalle marge, gevolgd door terugval — is kenmerkend voor PEM en dient als zodanig te worden geduid in de medische rapportage. Het is geen aanwijzing voor inconsistentie of simulatie.

Eindtoestand en schadeomvang

Het bestaan van andere aandoeningen sluit post-COVID als verklarende factor niet uit. Wanneer vergelijkbare klachten vóór de infectie ontbraken, vormt bestaande comorbiditeit geen zelfstandige verklaring voor wat er na de infectie is ontstaan. De timing van de klachten en het consistente beloop zijn daarbij doorslaggevend.

De medische eindtoestand is bij post-COVID moeilijk vast te stellen. Sommige mensen herstellen binnen enkele maanden; bij anderen blijven beperkingen langdurig bestaan. Vaak is sprake van een voorlopige eindtoestand: verdere verbetering lijkt op korte termijn niet waarschijnlijk, maar volledig herstel kan niet worden uitgesloten. Wanneer post-COVID optreedt als intercurrente factor, stelt dit bovendien het moment van de eindtoestand van het primaire letsel uit — met directe gevolgen voor de schadeberekening.

Conclusie

Post-COVID vraagt om een zorgvuldige beoordeling per dossier. Het ontbreken van afwijkingen op standaardonderzoek sluit reële functionele beperkingen niet uit. Een CPET kan daarbij een objectief ankerpunt bieden. Bij post-COVID als intercurrente factor bemoeilijkt het het hersteltraject zonder dat de causale relatie met het primaire letsel vervalt — en vergroot daarmee de schadeomvang. Goede dossiervorming en consistente verslaglegging blijven essentieel, juist omdat richtlijnen op dit gebied nog in ontwikkeling zijn.

Meer artikelen

Blijf op de hoogte van onze ontwikkelingen in medische aansprakelijkheid en letselschade.
Bekijk
Medische expertise
5
min leestijd
Pragmatisch afwikkelen vóór de medische eindtoestand, niet doen
Waarom je niet voor de medische eindtoestand moet afwikkelen.
Medische expertise
7
min leestijd
Kans op artrose na breuk en het medisch voorbehoud bij letselschade
Enkelbreuk vandaag, artrose morgen: zo werkt het medisch voorbehoud

Heeft u vragen over onze diensten of wilt u een vrijblijvende offerte?

Neem gerust contact op voor een persoonlijk gesprek.
Maak een afspraak