
Een tibiaplateaufractuur is een breuk van het bovenste deel van het scheenbeen, precies op de plaats waar het bot het dragende oppervlak van de knie vormt. De breuk loopt daarmee door tot in het kniegewricht.
Bij dit letsel kan meer beschadigd raken dan het bot. Ook het kraakbeen, de meniscus en de kniebanden kunnen betrokken zijn. Daarnaast is van belang hoe het gewrichtsoppervlak uiteindelijk herstelt. Dit speelt een rol bij het verdere herstel, het percentage blijvende invaliditeit en de kans op latere artrose.
Het tibiaplateau vormt de bovenzijde van het scheenbeen en daarmee de onderkant van het kniegewricht. Bij een relatief eenvoudige fractuur liggen de botdelen nog vrijwel op hun normale plaats. Bij ernstiger letsel kan het gewrichtsoppervlak splijten, worden ingedrukt of verschuiven.
Artsen gebruiken onder meer de Schatzker-classificatie om verschillende breukpatronen te beschrijven. Een stabiele en weinig verplaatste fractuur kan soms zonder operatie worden behandeld. Bij ernstiger letsel is vaker een operatie nodig. De chirurg probeert dan het gewrichtsoppervlak en de stand van het been zo goed mogelijk te herstellen en zet de botdelen meestal vast met platen en schroeven.
De eerste fase staat vooral in het teken van botgenezing en het geleidelijk hervatten van belasting. Daarna kunnen beweeglijkheid, spierkracht en belastbaarheid nog gedurende langere tijd verbeteren.
Het functionele herstel kan zes tot twaalf maanden duren en bij ernstiger letsel ook daarna nog doorgaan. Vooral lang staan en lopen, traplopen, hurken, knielen, zwaar lichamelijk werk en sporten kunnen langere tijd klachten geven. Pijn en zwelling treden daarbij vaak vooral op na belasting.
Een deel van de patiënten herstelt uiteindelijk met weinig restklachten. Bij anderen blijven pijn, stijfheid, krachtsverlies, bewegingsbeperking of instabiliteit bestaan.
De mededeling ‘fractuur geconsolideerd’ betekent dat de breuk is vastgegroeid. De functie en belastbaarheid van de knie kunnen daarna nog verder verbeteren. Dat is ook van belang voor het moment waarop de blijvende gevolgen kunnen worden beoordeeld.
Welke afwijkingen zijn relevant voor blijvende invaliditeit?
Na een tibiaplateaufractuur kan een afwijking van het gewrichtsoppervlak achterblijven. Een hoogteverschil wordt een step-off genoemd. Een plaatselijke indrukking heet een centrale impressie en een resterende spleet tussen de breukdelen een intra-articulaire gap.
Deze afwijkingen kunnen van belang zijn bij het bepalen van het percentage blijvende invaliditeit. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van de zesde editie van de AMA Guides, aangevuld met de Nederlandse richtlijnen van de WIA-NOV en NVT. Voor de tibiaplateaufractuur bevat de WIA-NOV een specifieke indeling.
Daarbij kan de mate van step-off van invloed zijn op de klasse van blijvende invaliditeit. Dezelfde systematiek geldt voor een centrale impressie of intra-articulaire gap. Daardoor kunnen verschillen van slechts enkele millimeters relevant zijn. Bij twijfel over de mate van verplaatsing kan een CT-scan worden overwogen.
Het uiteindelijke percentage wordt niet alleen door deze afwijkingen bepaald. Ook andere blijvende afwijkingen en de bevindingen bij lichamelijk onderzoek worden in de beoordeling betrokken.
Hoe wordt het percentage blijvende invaliditeit vastgesteld?
Een medisch adviseur kan op basis van het dossier een inschatting maken van het percentage blijvende invaliditeit van de gehele persoon (BIGP). Voor een definitieve vaststelling is een onafhankelijke expertise door een orthopedisch chirurg of traumachirurg het meest betrouwbaar.
Tijdens zo'n expertise beoordeelt de deskundige het medische beloop en de relevante beeldvorming en onderzoekt betrokkene zelf. Daarbij worden onder meer de functie, bewegingsuitslagen en stabiliteit van de knie beoordeeld. Zo kan worden vastgesteld welke afwijkingen daadwerkelijk zijn blijven bestaan en welk percentage blijvende invaliditeit daarbij past.
Ook het moment van beoordelen is belangrijk. Een vastgegroeide fractuur betekent niet automatisch dat het herstel is afgerond. Wanneer de beweeglijkheid, spierkracht en belastbaarheid nog verbeteren, kan het nog te vroeg zijn om een definitief percentage vast te stellen.
Welke gevolgen kunnen op langere termijn nog ontstaan?
Het belangrijkste toekomstige risico na een tibiaplateaufractuur is posttraumatische artrose: slijtage die ontstaat na beschadiging van het kniegewricht.
Het kraakbeen kan tijdens het ongeval al beschadigd zijn. Ook een blijvende verandering van het gewrichtsoppervlak, een afwijkende stand of instabiliteit kan de belasting van de knie beïnvloeden. Niet iedereen ontwikkelt uiteindelijk symptomatische artrose en het beloop is vooraf niet exact te voorspellen.
Wanneer artrose zich ontwikkelt, kunnen de klachten in de loop van de tijd toenemen en kan opnieuw behandeling nodig zijn. Bij ernstige artrose kan uiteindelijk een knieprothese aan de orde komen. Posttraumatische artrose kan bovendien relevant zijn voor de latere beoordeling van blijvende invaliditeit.
Een ander mogelijk gevolg betreft het materiaal dat bij een operatie is ingebracht. Platen en schroeven kunnen lokaal klachten veroorzaken. Bij aanhoudende materiaalgerelateerde klachten kan later worden besloten het osteosynthesemateriaal operatief te verwijderen.
Welke toekomstige gevolgen reëel zijn, verschilt per patiënt. De ernst van het oorspronkelijke gewrichtsletsel, kraakbeenschade, bijkomend meniscus- of bandletsel en de uiteindelijke stand en stabiliteit van de knie spelen daarbij een rol.
Conclusie
Een tibiaplateaufractuur kan een langdurig herstel kennen en blijvende gevolgen geven. Voor de medische beoordeling zijn vooral de functie van de knie en eventuele blijvende afwijkingen van het gewricht van belang. Kleine verschillen in het herstel van het gewrichtsoppervlak kunnen daarbij relevant zijn voor het percentage blijvende invaliditeit.
Een medisch adviseur kan hiervan op basis van het dossier een inschatting maken. Voor een definitieve vaststelling is een onafhankelijke expertise door een orthopedisch chirurg of traumachirurg het meest betrouwbaar.
Ook het verdere beloop verdient aandacht. Met name posttraumatische artrose kan zich pas later ontwikkelen en aanleiding geven tot nieuwe behandeling. Bij operatief behandelde fracturen kunnen daarnaast klachten van het osteosynthesemateriaal aanleiding geven tot een latere ingreep.

